Fenna Mastenbroek (Sneek, 1788 – Sneek, 1826)

Illustratie: Portret van Fenna Mastenbroek, Philippus Velijn, 1797 – 1836. Ets en gravure; proefdruk, h 132mm × b 105mm (Rijksmuseum, Amsterdam).Aan U, mijne Lezeressen! die gaarne iets goeds en nuttigs leest, wijde ik deze Verhalen. Ik schreef bepaaldelijk voor U - en wat is eigenaardiger voor een meisje? - Voor mannen te schrijven, is minder mijne taak, dewijl daartoe veelal eene geleerdheid gevorderd wordt, welke ik niet bezitte, en die ook, volgens het algemeen oordeel, geen sieraad der vrouw is.

Aangespoord door de vereerende goedkeuring en aanmoediging van kundige, in het vak der letteren zeer verdienstelijke mannen, waag ik het door deze uitgave eenen stap te doen, die voor een meisje aan vele beoordeeling onderhevig is. Immers beweert men niet zeldzaam, dat vrouwen, die de pen voor het publiek opnemen, daardoor ongeschikt worden ter welwaardige uitoefening van die huishoudelijke pligten, welke te regt van haar gevorderd wordt. Zou dit echter een algemeene regel zijn? Ik meen het tegendeel te mogen beweren. - In uren van uitspanning is schrijven mijne geliefkoosde bezigheid; doch dit zou ophouden genot voor mij te zijn, indien ik wezenlijke pligten daaraan opofferde, of slechts minder behartigde.

 

Uit het voorwoord dat Fenna Mastenbroek schreef bij haar bundel Lectuur voor Vrouwen; bestaande in onderscheidene Verhalen ter veredeling van het hart. Door Fenna Mastenbroek. Te Groningen, bij W. Wouters. 1815 

Biografie

Fenna Mastenbroek is afkomstig uit de Friese burgerij. Haar vader, Pieter Jacob Mastenbroek (1759-1829), was niet alleen houthandelaar maar ook boekhouder van de geestelijke staatsgoederen, commissaris van het bakkersgilde en lid van het gerecht. Hij was getrouwd met Janneke Theunis ten Cate (1760-1830).

Fenna Mastenbroek en haar vier broers en zussen krijgen een goede scholing waarbij godsdienst centraal staat. Hun ouders maakten namelijk deel uit van de strenge doopsgezinde traditie. In 1808 laat zij zich echter dopen door de Waterlanders, een meer gematigde tak van de Nederlandse protestantisme.

Al van jongs af aan vertelt Fenna Mastenbroek graag verhalen. Haar omgeving vindt deze zo gezellig om te horen dat ze uiteindelijk beslist om ze op te schrijven, wat tot de publicatie van de tweedelige bundel Lectuur voor vrouwen leidt (1815-1816).

In 1822 richt ze een leesgezelschap op voor vrouwen in Sneek. Ze blijft haar hele leven vrijgezel en sterft op 38-jarige leeftijd na jaren van zwakke gezondheid en langdurige ziekte.

Meer lezen:
Fenna Mastenbroek (DBNL - Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren)
Fenna Mastenbroek (NNBW - Nieuw Nederlands Biografisch Woordenboek)
Fenna Mastenbroek (DVN - Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland)
Fenna Mastenbroek (BPN - Biografisch Portaal van Nederland)

Oeuvre

Fenna Mastenbroek beoefende meerdere literaire genres zoals poëzie, romans en korte verhalen. Het meeste van haar werk was bestemd voor vrouwen en kinderen. In het fragment hierboven legt ze uit waarom ze niet voor mannen schrijft.

De schrijfster was een gelegenheidsdichteres: haar poëzie wordt vooral gepubliceerd in tijdschriften en almanakken. Een voorbeeld hiervan is Welkomst-groet (1824) in het Jaarboekje door Natuur en Kunst aan Genoegen Gewijd. Dit is ook het geval voor enkele korte verhalen zoals Jansje Welbergen, of De verijdelde boosaardigheid in Almanak voor het Verstand en het Hart (1826).

Fenna Mastenbroek gaf in haar verhalen de voorkeur aan puur Nederlandse context, waarbij drie thema’s herhaaldelijk aan bod komen: huishoudelijke taken, de mislukte zoektocht naar huwelijksgeluk en het belang van godsdienst als een levensstijl. Dit laatste aspect werd het meest behandeld, zoals in Linda Brandenburg (1815) en De kunst om gelukkig te worden (1826).

Ook interessant om te weten vanuit een literaire invalshoek, is dat de auteur contact had met andere Nederlandse schrijfsters, zoals Petronella Moens, Anna Barbara van Meerten-Schilperoort en Francijntje de Boer.

Erkenning en prijzen

Schrijverschap was redelijk afgesloten voor vrouwen in de negentiende eeuw. In 1816 wordt Fenna Mastenbroek immers onder vuur genomen door een criticus in het tijdschrift Recensent, ook der recensenten. Haar schrijfstijl is volgens hem zo goed dat haar werk ‘meer dan geredigeerd, geheel overgewerkt en volmaakt door eenen mannelijken vriend’ (Anon. 1816b: 187) moet zijn. Nadat Fenna Mastenbroek daarop reageert, verontschuldigt de criticus zich en antwoordt hij dat hij zijn verwondering verkeerd geformuleerd had.

Afgezien van enkele soortgelijke incidenten, wordt het werk van Fenna Mastenbroek over het algemeen enthousiast ontvangen door haar tijdgenoten. Na het lezen van Wilhelmina Noordkerk (1818) waardeert een recensent van Vaderlandsche Letteroefeningen (1819) Fenna Mastenbroek om ‘drie eigenschappen die in de romanschrijver bovenal vereist worden: natuurlijke eenvoudigheid, waarschijnlijkheid, zedelijkheid’. Bovenal worden meerdere van haar boeken tijdens haar leven herdrukt. Ook enkele jaren na haar dood (1839) worden verhalen uit haar Onderhoud voor huiselijke en gezellige kringen (1823-1825) nogmaals gepubliceerd.

Evenzo beoordelen latere auteurs Fenna Mastenbroek positief. In 1864 is Eekhoff onder de indruk van haar ‘bevallige schrijfstijl en boeiende wijze van verhalen’ (Nieuwe Friesche Volks-Almanak, 155). Meindert Cornelis Nijland spreekt in De Navorscher (1924) zijn bewondering uit voor haar ‘veredelende invloed’ op vrouwen en kinderen. Meer recent neemt de Nederlandse dichter Gerrit Komrij haar gedicht Welkomst-groet (1824) op in zijn boek De Nederlandse kinderpoëzie in 500 en enige gedichten (2007).

Aanrader uit de RoSa bibliotheek

Geschapen om te scheppen? Opvattingen over vrouwen en schrijverschap in Nederland, 1815-1860 / Toos Streng (1997). - RoSa exemplaarnummer GIV2m/0038Geschapen om te scheppen? Opvattingen over vrouwen en schrijverschap in Nederland, 1815-1860 / Toos Streng (1997). - RoSa exemplaarnummer GIV2m/0038