Jonkvrouw Catharina Anna Maria de Savornin Lohman (Assen, 1868 – Den Haag, 1930)

 

Illustratie: Portretfoto van Anna de Savornin Lohman door onbekende fotograaf, z.d. (IsGeschiedenis, 2012) 

‘In geheel mijn opvoeding werd het beginsel, dat de jongens rechten hebben en de meisjes alleen plichten, dat de jongens zelf iets mogen zijn, en de meisjes slechts hebben te gehoorzamen en te dienen, zoo consequent mogelijk doorgevoerd.’
Bron: Fragment uit Herinneringen. Amsterdam: van Kampen en Zoon, 1909, pp.6-7.

Ik blijf er bij, ik begrijp niet, hoe u dat goed vinden kunt,’ zei George bijna boos. ‘Het is wat anders voor meisjes, die haar eigen brood moeten verdienen. Maar Hélène doet het uit vrije verkiezing’. Hij sprak over het gewone onderwerp sinds de laatste weken op Kastanieën-oord, sinds het vaststond dat Hélène in een inrichting zou gaan om het ziekenverplegen te leeren, zooals haar wensch was. ‘Alsof een meisje niet nuttig kon zijn in haar eigen huis. Hebben wij Hélène niet noodig, om òns het leven gezellig te maken? Maar dat komt er niet op aan; dat is niet verheven genoeg. Zij moet wegloopen, en zich gaan wijden aan vreemden, in plaats van aan hare huisgenooten. Het is niets dan hoogmoed en aanstellerij.’
Bron: Fragment uit Levens-ernst. Utrecht: H. Honig, 1897, pp.4-6.

 

Biografie

Anna de Savornin Lohman (ook bekend onder de naam Anna Spoor-de Savornin Lohman en het pseudoniem Flava) is de dochter van jonkvrouw Florentina Johanna Alberda van Ekenstein (1834-1889) en de officier van justitie, advocaat-generaal en weinig succesvolle gouverneur van Suriname, jonkheer Maurits Adriaan de Savornin Lohman (1832-1899).

Anna de Savornin Lohman groeit op met haar vier broers in een adellijke familie in Assen. Als enige dochter steekt ze een groot deel van haar tijd in het zorgen voor haar vaak zieke moeder. In tegenstelling tot haar broers, krijgt ze geen voortgezette opleiding: het familiefortuin is volgens haar ouders groot genoeg om een goede echtgenoot voor haar te vinden.

Na de dood van een van haar broers wordt Anna de Savornin Lohmans vrijzinnig gelovige moeder, erg orthodox-calvinistisch. Daardoor wordt de opvoeding van het meisje nog strenger. Aangezien uitgaan niet meer mag, vindt die troost in lezen.

Het gezin verhuist een paar keer om professionele redenen: eerst naar Den Haag (1984), waar jonkheer Maurits Adriaan de Savornin Lohman tot advocaat-generaal benoemd is, dan naar Suriname (1989), waar hij gouverneur wordt. Dit is ook de plaats waar Anna de Savornin Lohmans moeder een paar maanden later overlijdt. Het 21-jarige meisje heeft bijgevolg geen andere keuze dan de verzorgende rol van de gastvrouw op zich te nemen.

In 1891 dient haar vader zijn ontslag in. Niet alleen verliest hij zijn reputatie, maar ook zijn aanzienlijke vermogen. Zijn dochter beseft dat ze haar eigen geld gaat moeten verdienen. Beiden gaan terug naar Europa (o.a. Berlijn) in de hoop er een baan snel te vinden, maar door gebrek aan een opleiding en diploma’s is dit voor Anna de Savornin Lohman niet makkelijk. Als haar vader in 1892 naar Nederlands-Indië vertrekt om er voor een Duits bedrijf te werken, wordt ze privaatdocente Frans en Duits in een Schotse meisjesschool. Twee jaar later reist ze naar Batavia om haar vader gezelschap te houden. Daar produceert ze haar eerste literaire werk, de novellenbundel Miserere (1895). In hetzelfde jaar gaat ze terug naar Den Haag waar ze doorgaat met romans schrijven.

In 1896 wordt Anna de Savornin Lohman literair correspondente van het Soerabaiasch Handelsblad. Jarenlang vestigt zij haar faam als critica en journaliste in dag- en weekbladen, bijvoorbeeld als ze verantwoordelijk is voor de rubriek ‘toneel en letteren’ van De Telegraaf. Een andere belangrijke onderneming is haar deelname aan de organisatie van de Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid (Den Haag, 1898). Anna de Savornin Lohman zit in de rubriekcommissies ‘Letteren en wetenschap’ en ‘West-Indië’.

De Hollandsche Lelie. Onder redactie van jonkvrouw Anna de Savornin Lohman (18e jaargang - maart 1905Vier jaar later wordt ze hoofdredactrice van De Hollandsche Lelie, een functie die ze ziet als een platform voor haar meningen en een gelegenheid om het publieke debat te stimuleren. Ze aarzelt immers niet om het tijdschrift, dat oorspronkelijk voor jonge dames bestemd was, om te vormen tot een volwassen opinieblad. Het krijgt overigens de bijnaam ‘De Hollandsche Distel’ en levert haar evenveel vijanden op als bewonderaars. De redactie is voor Anna de Savornin Lohman intensief en tijdrovend, aangezien ze zelf meerdere kolommen vult. Daarnaast blijft ze romans en novellen schrijven.

Anna de Savornin Lohman trouwt op haar 47ste  met Hendrikus Theodorus Spoor (1858-1919), abonnee van De Hollandsche Lelie en ontvanger der registratie en domeinen. Op zijn verzoek geeft ze het hoofdredacteurschap van De Hollandsche Lelie en haar talenten als schrijfster op. Dit huwelijk duurt maar vier jaar door het overlijden van haar echtgenoot in 1919. De freule moet noodgedwongen weer haar pen opnemen.

Ze sterft elf jaar later in Den Haag op de leeftjd van 61 jaar.

Meer lezen:

Anna de Savornin Lohman (DBNL – Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren)

Anna de Savornin Lohman (Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland)

Anna de Savornin Lohman (Biografisch Portaal van Nederland)

Anna de Savornin Lohman (WomenWriters.nl)

Anna de Savornin Lohman (BWSA – Biografisch Woordenboek van het Socialisme en de Arbeidersbeweging in Nederland)

Oeuvre

Anna de Savornin Lohman heeft bewondering voor en wordt sterk beïnvloed door auteurs zoals Multatuli (1820-1887), Johann Wolfgang von Goethe (1749-1832), Henrik Ibsen (1828-1906), Petrus Augustus de Génestet (1829-1861), Heinrich Heine (1797-1856) en François Haverschmidt (1835-1894).

In haar grotendeels polemische oeuvre heeft de schrijfster vaak kritiek op het strenge calvinisme van haar jeugd, het Haagse ‘fatsoenschristendom’ in de aristocratie, de onfeilbaarheid van de orthodoxie, en Abraham Kuyper en zijn medestanders. Voorbeelden hiervan zijn haar bekendste roman Vragensmoede (1896), Om de eere Gods (1910), Uit christelijke kringen (1911), Zedelijkheids-apostelen (1912) en Geloof (1899). Haar breuk met het calvinisme vinden velen schokkend en bezorgt haar de bijnaam ‘eigenzinnige freule’. 

Dit is onder meer het geval in de brochure De Liefde in de Vrouwenquestie (1899) en haar roman Het eene noodige (1898). In de brochure beweert ze dat het uiteindelijke doel van een ‘ware’ vrouw de liefde dient te zijn – het liefst in een huwelijk. Alleen als een vrouw deze vorm van liefde niet voelt en er een financiële noodzaak bestaat, moet ze een baan vinden en ervoor zorgen dat ze haar eigen geld verdient. Daarom is de auteur een voorstander van gelijke opleiding voor meisjes en jongens. In de roman vergelijkt Anna de Savornin Lohman liefdeloze fatsoenhuwelijken met een vorm van prostitutie en hypocrisie.

Hoewel Anna de Savornin Lohman voor vrouwen opkomt en feministische kwesties behandelt, is zij geen groot voorstander van de vrouwenbeweging. Enerzijds pleit ze voor gelijkheid op het vlak van inkomen en voorrechten die aan het staatsburgerschap verbonden zijn. Anderzijds stelt ze de onvrouwelijkheid van feministen aan de kaak en denkt ze dat mannen en vrouwen naar lichaam en ziel verschillen. Bovendien is ze van mening dat vrouwen niet gelukkiger kunnen worden als ze een onafhankelijk werkzaam leven leiden (hoewel ze zelf in haar levensonderhoud voorziet door ontzettend veel te schrijven). Zoals we weten ziet ze de liefde voor man en kinderen als de enige vorm van geluk voor een ‘ware’ vrouw. Ze steunt de vrouwen die zich met het huishouden en moederschap bezighouden, maar in de context van het eerste-golf feminisme krijgen die te horen dat ze dat soort leven moeten opgeven om te gaan werken.

Haar laatste roman, Levensraadselen (1920), verschilt van haar vroegere boeken. Hierin geeft ze toe dat haar werk soms te radicaal en moralistisch was, en biedt ze haar excuses aan. Niettemin blijft ze een van de sleutelfiguren van de Nederlandse literatuur die lef en oprechtheid belichaamt. 

Meer lezen:

Tegen het feminisme uit ‘modezucht’ Anna de Savornin Lohman (1868-1930) – een eigenzinnige freule

Erkenning en prijzen

In 1897 wordt Anna de Savornin Lohman aanvaard als lid van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde.

Aanraders uit de RoSa-bibliotheek

Een hoofdstuk apart: ‘Vrouwenromans’ in de literaire kritiek, 1898-1930 / Erica van Boven. (1992). (RoSa exemplaarnummer: GIV2m/0022)Een woord naar aanleiding van Anna de Savornin Lohman’s: ‘De liefde in de vrouwenquestie’ door Holda (1989). - RoSa exemplaarnummer: GIV2a/0054.Feministische Openbaarheid: de Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid in 1898 / Maria Grever. (1998). - RoSa exemplaarnummer: EIm/0012Een hoofdstuk apart: ‘Vrouwenromans’ in de literaire kritiek, 1898-1930 / Erica van Boven. Amsterdam: Sara van Gennep, 1992. 352 p. RoSa exemplaarnummer: GIV2m/0022.

Een woord naar aanleiding van Anna de Savornin Lohman’s: ‘De liefde in de vrouwenquestie’ door Holda / Holda. Amsterdam: L.J. Veen, 1989. 29p. RoSa exemplaarnummer: GIV2a/0054.

Feministische Openbaarheid: de Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid in 1898 / Maria Grever. Amsterdam: Stichting beheer IISG / IIAV, 1998. 352p. ISBN: 90-6861-151-8. RoSa exemplaarnummer: EIm/0012.

Een leven vol paradoxen: Anna de Savornin Lohman (1868-1930), één van de eerste vrouwelijke critici in Nederland. In: SURPLUS, jaargang 06, nr. 02 (maart 1992).