Achtergronden bij het ontstaan van de begijnenbeweging

Verstedelijking

De gebieden die later deel zouden uitmaken van de Zuidelijke Nederlanden mogen in de dertiende eeuw nog niet beschouwd worden als een aaneengesloten geheel. De kaart toont verschillende territoriale gebieden zoals het Hertogdom Brabant of het Graafschap Vlaanderen. Wetten, maten en gewichten, tijdsindeling of munteenheid verschilden van streek tot streek. De gebieden hadden echter wel een aantal dingen gemeen,
zoals onder meer het toenemende belang van de stedelijke centra.

Verbeteringen in de landbouwtechnieken zoals bijvoorbeeld de invoering van het drieslagstelsel, hadden vanaf de 11e eeuw de bevolking geleidelijk doen toenemen. De efficiëntere voedselproductie maakte het bovendien mogelijk dat een deel van de plattelandsbevolking zich aan het productieproces kon onttrekken en zich kon gaan bezighouden met, onder andere, de verhandeling van voedselvoorraden. Vanaf de 11e eeuw was dan ook een herleving van de handel merkbaar. Steden ontwikkelden zich op handelsknooppunten, in de nabijheid van belangrijke (water-) wegen. De Lage Landen groeiden zo uit tot één van de meest verstedelijkte gebieden in Europa, samen met Italië. De steden zelf telden een stijgend aantal inwoners. Zo telde de stad Brugge in de periode 1338-1340, 46.000 inwoners, waarmee het kon wedijveren met een stad als Londen.

De stedelijke economie was vooral gericht op het verhandelen van landbouwgewassen en industriële producten zoals ijzeren of houten gebruiksvoorwerpen. De textielnijverheid vormde een belangrijke tak van de stedelijke nijverheid. Centra als Gent, Brugge en Ieper groeiden in de loop van de 13e en 14e eeuw uit tot centra van de lakennijverheid. Handel met andere gebieden en stedelijke centra (bv. de handel van Brugge met de Hanzesteden) vormde de speerpunt van de economie.

In de steden ontwikkelde zich een nieuwe elite die streefde naar vrijheid of het verbeteren van de rechten van de stedelingen: de burgerij. Deze burgerij wist steeds meer privileges naar zich toe trekken ten nadele van het kerkelijke en wereldlijke gezag die tot dan toe bijna exclusief de dienst uitmaakten. Zo behoorde de rechtspraak voortaan tot de stedelijke voorrechten.

Positie van de vrouw

marketsceneIn de Middeleeuwse steden was er een demografisch bevolkingsoverschot als gevolg van de migratiestromen. Op zoek naar werk verruilden heel wat vrouwen het platteland voor de stad. Baantjes in de huishouding, in de ziekenverpleging of in de textielindustrie waren er vlugger te krijgen dan op het platteland. In 1597 kende de stad Leuven bijvoorbeeld een sekseratio van 129 (dit cijfer drukt het aantal vrouwen uit per 100 mannen). Vrouwelijke marktkramers en venters waren een vertrouwd beeld. Vrouwen konden bovendien lid worden van een ambacht of gilde en hadden in theorie de mogelijkheid te erven van hun ouders. In de praktijk blijkt echter dat vrouwen vooral in de slecht betaalde jobs waren terug te vinden. In de uitoefening van hun beroep genoten zij geen al te groot aanzien. Inzake erfenissen werd de vrouw vaak opzij geschoven ten voordele van de oudste broer, dit om de continuïteit van het familiekapitaal te verzekeren. Overigens werden vrouwen, zeker alleenstaande vrouwen, vaak aanzien als bron van verderf en onfatsoenlijke zeden. De vrouw ontleende in de Middeleeuwen haar status voornamelijk aan haar echtgenoot. Persoonlijke autonome ontplooiing was nagenoeg onbestaande.

(schilderij: Pieter Aertssen)

Kerkelijke en religieuze ontwikkelingen

De Gregoriaanse hervorming maakte vanaf de 11e eeuw komaf met de bevoogding van leken over de kerk en de daarmee gepaard gaande misstanden. De middeleeuwse kerk lokte door haar logge organisatie en het gedrag van haar geestelijken heel wat reacties uit.

Bisdommen bestreken een te groot territorium, de verafgelegen bisschopszetels vaardigden vertegenwoordigers af die weinig of geen voeling hadden met de bevolking en de plaatselijke gebruiken.

De weelde waarin de kerkdienaren leefden stootte vele gewone gelovigen voor het hoofd. Corruptie en promiscuïteit onder priesters en kloosterlingen besmeurden het blazoen van de kerk. De kerk probeerde één en ander op te lossen door, onder andere, de organisatie van synodes waarin zaken werden besproken die de kerk in het bisdom aanbelangden. De kwaliteit van het kerkelijk leven in de parochies werd geregeld gecontroleerd door visitaties van de bisschop of zijn afgevaardigde.

Ondertussen werd de nood aangevoeld om het geloof dichter bij de gewone mens te brengen. Hieraan werd verholpen door de opname en assimilering van allerlei heidense gebruiken. Daarnaast tekende er zich een groeiende verinnerlijking van het geloof af waarbij er meer nadruk werd gelegd op de gevoelswereld. Terwijl een aantal mensen, waaronder de Katharen, de ketterse toer op gingen, werden er ook binnen de kerk een aantal nieuwe religieuze orden zoals benedictijnen en norbertijnen gesticht. Kenmerkend voor deze orden was dat zij de wereld als het ware ontvluchtten en zich terugtrokken in een goed afgeschermde eenzaamheid. Vrouwen vonden onder meer de weg naar de nieuwe, overigens vrij elitaire en gesloten, cisterciënzerinnenkloosters.

hadewijchdanversDe nieuwe spiritualiteit en de verinnerlijking van de geloofsbeleving werkten inspirerend op de vele mannen en vrouwen die zich lieten inmetselen als reclusa. Kluizenaarsters moesten, voor zover ze geen aalmoezen of andere liefdadige giften verkregen, zelf in hun levensonderhoud voorzien via het spinnen van wol of het borduren van textiel. Daarnaast waren er een heleboel lekenvrouwen die zich intensief met het geloof gingen bezighouden. Mystici zoals Hadewich en Lutgarde van Tongeren belijdden hun geloof op een zeer persoonlijke manier waarin de relatie met God centraal stond. Hun beleving was erop gericht de normale menselijke grenzen te overschrijden en het eigen lichaam te overstijgen. Ook de zogenaamde ‘vrome vrouwen’ waren er van overtuigd geen kerkelijke instanties nodig te hebben in het belijden van het echte geloof. Zij wilden buiten de kloosters een heilig leven leiden. Bovendien was er als gevolg van de plattelandsvlucht in de steden nood aan vrome lekenhelpsters in de vele godshuizen, speciaal opgericht voor de sociaal zwakkeren en onder toezicht van geestelijken. Via de naastenliefde of caritas probeerden vrouwen dichter tot God te komen. Een religieuze beweging die spiritualiteit en verstedelijking verenigde, was de begijnenbeweging.

(Afb.: Hadewijch d'anvers ou la voie glorieuse / Kelen, Jacqueline, 2011 - RoSa ex.nr.: GIV2m/0159)

Ontstaan van de begijnengemeenschappen

Voor 1250

Tussen 1225 en 1228 schrijft de cisterciënzermonnik Caesarius van Heisterbach: deze vrouwen, die zo talrijk zijn in het bisdom Luik, leven tussen de mensen. Hoewel ze gehuld zijn in lekenkledij zijn ze dichter bij God dan vele kloosterlingen. Ze leven een kluizenaarsbestaan tussen de massa, verkiezen het spirituele boven het wereldlijke en kuisheid boven werelds vertier.

In 1224 gebruikte dezelfde Caesarius de term ‘begijnen’ in zijn Dialogus Miraculorum als expliciete verwijzing naar de mulieres religiosae. In dit vroege stadium was de begijnenbeweging overigens zeer heterogeen. Kluizenaarsters, hospitaal- of leprozeriehelpsters, vrouwen op weg naar het klooster… er waren verschillende vormen mogelijk. Deze vroege gemeenschappen werden eerder gevormd door een los-vaste groep vrouwen, zonder duidelijke hiërarchie en onderhevig aan vele schommelingen. Vaak bleven de vrouwen niet lang op een zelfde plaats zodat de gemeenschappen heel vlug van karakter wisselden of zelfs een vrij kort leven beschoren waren. Naast de gedisciplineerde begijnen (met vaste regel en meer gebonden aan één plaats) waren er ook de niet-gedisciplineerde begijnen. Zij trokken rond, hadden geen vaste regel en wekten daarom nogal eens het wantrouwen op van de clerus. Begijnen die hun hele leven begijn bleven, waren eerder zeldzaam. Velen traden in een klooster in of huwden en begonnen zo een nieuwe levensfase.

In deze vroege fase zijn grosso modo vier grote begijnencentra te onderscheiden: Hoei, Nijvel en Oignies, Luik, en het gebied Borgloon, Sint-Truiden, Zoutleeuw. Tussen de gebieden bestonden contacten via de gebruikelijke handelswegen. Meer dan eens werden deze contacten verzorgd door geestelijken die ook als biechtvader en als voorganger in de eucharistieviering optraden. Vooral cisterciënzers en dominicanen waren actief als religieuze beschermheren. De betrokkenheid van geestelijken gaf een zekere legitimatie aan de begijnen en beschermde hen tegen beschuldigingen van ketterij. Vaak vestigden ze zich rond een bestaand hospitaal met een eigen kapel of kerk. Zo combineerden de vrouwen het streven naar geestelijke verrijking met het voorzien in hun eigen levensonderhoud via het verrichten van handen- en zorgarbeid.

Na 1250

begijnhofbruggeGeleidelijk kwam er meer organisatie in de begijnengemeenschappen die zich verspreidden over de Lage Landen en andere delen van Europa zoals het Rijnland, Noord-Frankrijk, Noord-Duitsland of Bohemen. De begijnen woonden in elkaars buurt en werkten niet zelden buitenshuis. Er was een grotere geestelijke en praktische ordening aanwezig. Uiteindelijk evolueerde deze levenswijze, vooral in de Lage Landen, tot het ontstaan van echte ‘ begijnhoven’, afgesloten stadsgedeeltes. In onze streken vormden er zich bijvoorbeeld in Antwerpen, Brugge, Mechelen of Brussel dergelijke afgescheiden begijnengemeenschappen. Niet toevallig situeren deze steden zich in het hertogdom Brabant en het graafschap Vlaanderen, twee zeer sterk verstedelijkte regio’s. In een landelijke streek als Wallonië behield de begijnenbeweging veel meer haar rurale karakter.

Naar de vorm van de gemeenschappen zijn er dus twee types te onderscheiden: conventen en begijnhoven. In de conventen woonden een aantal begijnen in elkaars nabijheid. Ze stonden onder het gezag van een priores of meesteres (magistra) en waren voor hun geestelijk heil afhankelijk van de parochiekerk en haar priester. Anders was het gesteld met de begijnhoven. In een memorandum gericht aan de bisschop van Doornik in 1328 wordt het St.-Elizabeth begijnhof van Gent als volgt beschreven: het hof van St.- Elizabeth wordt omringd door muren en kanalen; in het centrum staat een kerk met kerkhof en infirmerie… Verschillende huizen bieden onderdak aan de vrouwen en worden van elkaar gescheiden door een heg, ieder huis heeft zijn eigen tuintje.

De begijnhoven zijn inderdaad speciaal voor de begijnen gebouwde ommuurde gehelen waarbij de individuele huizen met tuin rond een kerk gegroepeerd zijn. Gemeenschappelijke huizen en dienstgebouwen voor het bakken van brood of het brouwen van bier vervolledigen het geheel dat onder het beheer staat van een grootjuffrouw en een aantal meesteressen. De muren beschermden niet enkel de begijnen tegen de wereldse stad maar vormden ook een buffer tussen diezelfde stad en de groep alleenstaande vrouwen aan de andere kant. Zoals hoger reeds vermeld stuitten alleenstaande vrouwen in de middeleeuwse gemeenschappen immers op een groot wantrouwen. Tussen ca. 1240-1250 en 1565, het jaar voor het begin van de opstand van de Nederlanden tegen het Spaanse bewind, werden naar schatting 298 begijnhoven en conventen gesticht in 111 verschillende steden in het zuidelijke deel van de Nederlanden. Bij gebrek aan bronnen is het niet mogelijk om het aantal begijnen in de Nederlanden in die periode te achterhalen. Simons geeft in zijn boek wel enkele cijfers die ons een idee geven van de grootte van de populatie. Zo zou ongeveer 3,2 % (+/- 6.100) van de inwoners van Diest in 1526 begijn geweest zijn. Mechelen telde in de late 15e- vroege 16e eeuw ongeveer 6,5 % begijnen (+/-26.000).

Sociale samenstelling

Het is moeilijk te achterhalen uit welke sociale klassen de eerste begijnen afkomstig waren. Uit contemporaine bronnen zoals vitae of geschriften van tijdgenoten zoals Jacobus van Vitry, komen de begijnen naar voren als welgestelde vrouwen, afkomstig uit de hogere landadel of burgerij. Zo was de vader van Juetta van Hoei financieel afgevaardigde van de prins-bisschop van Luik in de stad Hoei. Lutgarde van Tongeren kwam uit een familie van vooraanstaande stedelijke handelaars. Vele van deze vitae en geschriften gaan echter over vrouwen die later hun weg vonden naar een cisterciënzer- of benedictijnenklooster die traditioneel uit de hogere kringen rekruteerden. Overigens werden de begijnen uit de betere klassen geflankeerd door ‘dienaressen’ uit de lagere klassen die eveneens in hun buurt woonden. Het beeld was allicht rijker geschakeerd dan eigentijdse bronnen ons op het eerste zicht zouden doen geloven.

Met de komst van de beter gestructureerde begijnhoven vanaf 1230, krijgen we ook beter zicht op de sociale samenstelling van de begijnhoven. Adellijke juffrouwen werden nog steeds begijn, zij het niet meer zo talrijk in verhouding met andere groepen. Zo was Emmain, nicht van Mathilde de Bethune, vrouw van de graaf van Vlaanderen, begijn van 1259 tot 1264. Tussen 1439 en 1454 treffen we vier adellijke vrouwen aan in het begijnhof Ten Wijngaerde te Brugge: Kateline Adornes, Kateline van der Delft, Aechte van der Heede en Kateline van Themseke. Adellijke vrouwen, of meer algemeen, adellijke families, traden eveneens op als milde weldoeners. Zij schonken grond, voorrechten of gebouwen aan de plaatselijke begijnengemeenschappen. Robrecht III stelde bijvoorbeeld in 1320 de begijnen van Aalst vrij van een tolheffing op het door hen vervaardigde laken.

Beter vertegenwoordigd waren de vrouwen uit de stedelijke elite. In de begijnhoven Sint- Elizabeth en Ter Hooie in Gent resideerden bijvoorbeeld vrouwen uit de vooraanstaande families SerBraems, Bruusch, uten Hove, uten Meram en uter Volrestrate. Ook de stedelingen waren gul met schenkingen en giften. Wanneer Lijsbette Langherox na de dood van haar man Segher in 1311 besloot begijn te worden, bezat ze naast een huis in de Neder Kwaadham, een stoffenververij en twee kleine huizen op het Zand, ook nog 21 bunder akkerland. Getuige van de begoede situatie van sommige begijnen, zijn de leningen aan andere begijnen of aan stedelingen. De Gentse begijn Betteken van Loe leende bijvoorbeeld in 1340 een som van 480 pond uit aan Clais de Wilde.

Tegenover deze financieel goed bedeelde vrouwen, stond een grote groep armen. Vooral vanaf de stichting van de formele begijnhoven stijgt hun aantal zienderogen. De economische crisis in de Vlaamse lakennijverheid vanaf 1300 en de opeenvolging van pestepidemieën vanaf 1348 verergerden de toestand. De arme begijnen moesten noodgedwongen de handen uit de mouwen steken om in een karig levensonderhoud te kunnen voorzien. Welke activiteiten zij uitvoerden, komt later in deze factsheet nog aan bod. In vele gevallen konden zij hun inkomen aanvullen met milde giften van rijke weldoensters of van andere begijnen. Door de grote toename van het aantal armen moest er echter een meer structurele oplossing worden uitgedacht. In vele begijnhoven ging men daarom over tot de oprichting van een Heilige Geesttafel die instond voor de bedeling van levensmiddelen zoals vis, brood of olie en het inkomen van de begijnen aanvulde. De middelen van deze instelling waren opnieuw grotendeels afkomstig uit milde giften. Binnen de begijnhoven werden bovendien speciale conventen opgericht voor de opvang van arme vrouwen. De begijnengemeenschap verleende hun op die manier onderdak. De sociale status van de bewoonsters was voortaan af te lezen van de huizen. Rijke begijnen konden het zich veroorloven een apart huisje te kopen, terwijl hun armere collega’s het moesten stellen met een bed in het convent of een kamer bij een andere begijn. Meest radicaal was de oplossing om aparte begijnhoven op te richten. In Brugge alleen al werden tussen 1302 en 1374 zeven alemoesene huzen voor becommerde beghinen gesticht, hetgeen de omvang van de armengemeenschap illustreert. Volgens Simons behoorde meer dan de helft van de begijnen in de dertiende tot de zestiende eeuw tot de armere klassen.

Organisatie van de begijnhoven

Een belangrijk kenmerk van een begijnengemeenschap is haar autonomie. Begijnen beloven, anders dan nonnen in vrouwenkloosters, geen gehoorzaamheid aan kerk en paus. Hoewel ze wel contacten hebben met de kerk, zijn de begijnen er niet aan onderworpen. Generale ende upperste meersterigghe is de grootjuffrouw of grootmeesteres, verkozen door de begijnen. Bij haar berust het dagelijks bestuur van het begijnhof, het uitspreken van straffen en sancties, het beheer van de eigendommen en de aanstelling van kosteres, organiste, portiersters en conventmeesteressen. Meestal nam de grootjuffrouw voor de duur van haar ambt haar intrek in het zogeheten ‘groothuis’, haar ambtswoning. In de statuten van het Brugs begijnhof (dertiende eeuw) worden enkele passages gewijd aan de aanstelling van een grootmeesteres: Die grote meestrigghe ne sal men niet lichtelijke absolveren, soene ware so roukeloes ende so flau dat die beghinaedse ware bi hare ghescandeleerd, of soene adde ziecheit daer soe niet of mochte ghenesen. Bij de uitoefening van haar taak werd de grootmeesteres bijgestaan door twee tot drie hofmeesteressen, verantwoordelijk voor de infirmerie, de Heilige Geesttafel en de kerk. Gemiddeld werden de meesteressen verkozen voor een termijn van drie jaar en werden zij aangesteld door de aartsbisschop. Deze aartsbisschop stuurde overigens regelmatig een visitatiecommissie naar het begijnhof die de werking ervan en de eventuele klachten van begijnen onderzocht. Meermaals legden de begijnen de aanbevelingen van de commissie naast zich neer, wat hun autonomie illustreert.

In rechtszaken moesten de begijnen zich laten bijstaan door mannelijke voogden of momboors. Vrouwen hadden in de Middeleeuwen nog geen rechtspersoonlijkheid. Het begijnhof op zich had overigens wel rechtspersoonlijkheid, geïllustreerd door het eigen zegel van de begijnhoven voor het bekrachtigen van officiële documenten. Bij betwistingen met het stadsbestuur of in andere zaken waarin materiële belangen aan de orde waren, assisteerden de momboors de begijnen. Ook de eigendommen en het beheer van de rekeningen stond onder hun toezicht. Zo controleerden ze de rekeningen van de kerk, de infirmerie en de Heilige Geesttafel. Momboors konden worden aangesteld door de kerkelijke of de stedelijke overheid maar konden ook door de begijnengemeenschap zelf worden verkozen.

Geestelijke bijstand kregen de begijnen van de begijnhofpastoor. Het feit dat zij over een eigen pastoor beschikten, in grotere begijnhoven aangevuld met een onderpastoor en enkele kapelaans, drukt opnieuw de zelfstandigheid van de begijnengemeenschap uit. De pastoor woonde meestal buiten de begijnhofmuren maar via een klein deurtje in de muur kon hij bij dringende gevallen toch vlug ter plaatse zijn. Een taak van de pastoor was het voorgaan in de dagelijkse misvieringen. Ook op zon- en feestdagen werd een beroep gedaan op zijn diensten. Bovendien trad hij op als biechtvader van de vrouwen.

In het begijnhof waren telkens ook twee begijnen belast met het openen en sluiten van de poort, de portiersters. Zij wisselden mekaar af in een soort ploegensysteem. ’s Morgens ging de poort open om 5u (zomer) of om 7u (winter). Ze werd weer terug gesloten om 20u (zomer) of om 18u (winter). De kerk werd onderhouden door een opper- en een onderkosteres. Zij stonden in voor het onderhoud van de sacristie en de verwarming van de kerk.

Leven van een begijn

Intrede

hetbeslotenhofWaarom kozen vrouwen voor het begijnenleven en niet voor de twee andere traditionele levenspaden, het huwelijk of het klooster? De intrede in de begijnhoven was in de eerste plaats heel wat goedkoper dan de bijdrage die in de kloosters moest betaald worden. Kloosters stonden vooral open voor rijke edelvrouwen of burgerdochters, terwijl armere meisjes ook in het begijnhof terechtkonden. Edelvrouwen werden bovendien niet geacht om onder hun stand te trouwen waardoor enkel de rijke oudste zonen in aanmerking kwamen voor een huwelijk. Als gevolg van de begunstiging van de eerstgeboren zoon bij erfenissen, kan er echter gesproken worden van een tekort aan huwbare mannen. Kandidaat-begijnen ontvluchtten overigens ook, al of niet tijdelijk, gewoon het huwelijk. De levensstijl in de begijnhoven was van die aard dat zowel edelvrouwen als arme plattelandsmeisjes er werden door aangesproken. De vrouwen mochten immers de verantwoordelijkheid over hun bezittingen behouden, konden deelnemen aan het actieve leven en mochten het begijnhof verlaten. Ze konden op elk moment hun geloften verbreken. Plattelandsmeisjes op zoek naar werk vonden binnen de muren een veilige en rustige omgeving met de nodige faciliteiten.

(Afb.: Het besloten hof: begijnen in de Zuidelijke Nederlanden / Triest, Monika, 1998 - RoSa ex.nr.: FII m/0357)

Kandidaat-begijnen konden vanaf zestien jaar in het begijnhof intreden. Om toegelaten te worden door de grootmeesteres en de begijnhofpastoor was een onbesproken gedrag en een goede gezondheid vereist. Maar er was meer. De vrouwen moesten ook kunnen aantonen dat ze over een inkomen beschikten, hetzij uit de opbrengst van eigendommen, hetzij uit handenarbeid. Bij hun intrede moesten de vrouwen bovendien het nodige huisraad meebrengen zoals een bed en keukengerei. Net als in kloosters moest er een intredegeld betaald worden, hoewel dit lager lag. Begijnen hadden immers na hun intrede nog voldoende contact met de wereld om een eigen inkomen te verdienen. De bedragen werden aangepast naargelang de situatie van de vrouwen: armen betaalden een lager bedrag dan rijkere kandidates. Sommige begijnhoven richtten zich echter, door hun hoge entreegelden, op een specifieke groep. Het Brugse Ten Wijngaerde was bijvoorbeeld één van de meest exclusieve begijnhoven van de Lage Landen. Het hof beriep zich op zijn nauwe banden met de graven van Vlaanderen en de hertogen van Bourgondië. Tussen 1439 en 1454 behoorde 81,2 procent van de Brugse begijnen tot de hogere klasse. Zij beschikten over landeigendommen, renten of huizen. Het systeem van hogere entreegelden sloot overigens de toetreding van armere vrouwen niet uit. Door het bestaan van stichtingen, gespijsd door erfenissen en schenkingen van welstellende personen, konden ook armere vrouwen toetreden tot de begijnengemeenschap. Niet zelden was de voorwaarde dat de kandidaten in kwestie afkomstig waren uit de streek van de weldoener.

Vooraleer volwaardig te kunnen toetreden tot de begijnengemeenschap, doorliepen de kandidaten een proeftijd van twee jaar, het noviciaat. Tijdens deze periode werd de kandidaat-begijn ingewijd in de regels en statuten van het begijnhof en werden haar de deugden van het begijnenleven bijgebracht, waarover later meer. De professie of wijding markeerde dan de officiële en volwaardige toetreding tot de begijnengemeenschap. Ter gelegenheid van haar wijding moest de novice een schenking doen ten voordele van de gemeenschap. Verder moest ze ook instaan voor de bekostiging van de begeleidende kerkdienst. Tijdens deze dienst werden de geloften van zuiverheid en gehoorzaamheid afgelegd. Anders dan bij een intrede in een klooster, bleef de gelofte van armoede achterwege en waren de geloften niet eeuwig. Zij golden slechts voor de duur van het verblijf van de begijn in het begijnhof. Als teken van haar volwaardige toetreding werd dan tenslotte de tijdens de kerkdienst gewijde begijnendoek, een soort omslagdoek die ook de novicen reeds bij zich droegen, aan het habijt van de begijn bevestigd.

Dagelijks leven

Samengevat kunnen de deugden van een begijn als volgt worden benoemd: eenvoud, matigheid, liefdadigheid, vroomheid en arbeidzaamheid. Of zoals de Brugse abt Hoornaert het in 1924 formuleerde: La Vie Béguinale se résume toute en ces trois mots par lesquels les ascètes anciens délimitaient le champ de la vie parfaite: Orare, laborare, pati: prière, travail, renoncement. Het begijnenleven speelde zich inderdaad af tussen een verlangen tot afzondering enerzijds en een behoefte deel uit te maken van het alledaagse leven, tussen een contemplatief en een actief leven.

Afzondering

De muren en poorten van een begijnhof zonderden de bewoonsters af van de hun omringende stadswereld. Begijnen waren echter niet exclusief gebonden aan het gebied binnen de muren zoals bij kloosterzusters het geval was. De vrouwen kwamen doorheen hun activiteiten veelvuldig in contact met de buitenwereld. De ommuring heeft dan ook vooral een grote symbolische waarde.

Bij die afzondering hoort tegelijkertijd een grote eenvoud en een vrijwillige ascese ten overstaan van materiële zaken. Simons stipt aan dat de oorzaak van deze gematigdheid volgens de eigentijdse vitae te vinden is een groeiend ongenoegen tegenover de stedelijke economie die vooral gericht was op winstbejag. Hij haalt onder meer het voorbeeld aan van de hoger reeds vermelde Maria van Oignies waarvan gezegd werd dat ze haar eigen voeten verminkte omdat ze zo geschokt was door wat ze zag in de straten van Nijvel. Bij de interpretatie van deze vitae moet er rekening gehouden worden met het feit dat de markteconomie in de 11e-12e-13e eeuw nog in de kinderschoenen stond. Er waren nog geen echte ethische regels aan verbonden en vooral geld uitlenen tegen interesten wekte argwaan en verzet op. Interest is immers verbonden met het verstrijken van de tijd, iets dat enkel aan God toebehoorde! Het moet ook gezegd dat begijnen niet afkerig stonden van elke vorm van geld verdienen. Zij haalden bijvoorbeeld zelf een, eerlijk verdiend, inkomen uit handenarbeid. Ze legden ook geen armoedegelofte af. Wel hielp de gematigdheid hen om spiritueel dichter tot God te komen.

Wat ook steeds terugkomt in de middeleeuwse vitae van begijnen, is een verwerping van het huwelijk voor de duur van hun begijnenleven. Vrouwen die niet wilden toegeven aan een gearrangeerd huwelijk zochten hun heil in een begijnengemeenschap. Ook reeds getrouwde vrouwen konden beslissen om een kuis leven te leiden. Meest radicaal waren de reclusen die zich lieten inmetselen in een cel dichtbij een kerk of kapel. In sommige begijnhoven zoals de Kluis in Oudenaarde werden daarom speciale cellen gebouwd die de begijnen nog wel konden verlaten of werden cellen tegen de kapelmuur aangebouwd (bv. Klein Begijnhof in Mechelen).

Het contemplatieve leven

In de begijnengemeenschappen werd een grote aandacht geschonken aan het bijwonen van de misvieringen. De dagelijkse vieringen werden aangevuld met vespers, completen en andere vieringen op zon- en feestdagen zoals Kerstmis, Pasen of Pinksteren. Ook de mariale feestdagen kregen bijzondere aandacht. Daarnaast werden de begijnen geacht regelmatig te biechten en te communie te gaan. Dagelijks werd er tijd uitgetrokken voor het persoonlijke gebed en een lezing van het ‘klein officie van Maria’ uit het brevier. Dit alles gebeurde in een ingetogen en stille sfeer.

Het actieve leven

Zowel theoretisch als praktisch werd van een begijn verwacht dat ze een ‘arbeidzaam leven’ zou leiden. Arbeidzaamheid was immers één van de deugden van een begijn maar ook praktisch, voor het aanvullen van haar dagelijkse inkomen, was de vrouw in kwestie in vele gevallen aangewezen op haar eigen arbeid. Daarnaast bezorgde haar religieuze status de begijn een zekere vrijheid tot handelen die andere vrouwen niet bezaten. Bij haar intrede in het begijnhof behield de begijn het eigendomsrecht en de verantwoordelijkheid over haar eigendommen. Zoals de individuele begijn instond voor haar onderhoud, zo vormde ook het begijnhof een zelfstandige economische entiteit die beschikte over een eigen groentetuin, boerderijen, een brouwerij, een bakkerij… Begijnen hielden zich voor wat hun dagelijkse activiteiten betreft, bezig met liefdadigheid en ziekenzorg, onderwijs en cultuur en het vervaardigen van allerlei producten (handenarbeid).

Liefdadigheid en ziekenzorg

De aanwezigheid van begijnen in de ziekenzorg kan niet los worden gezien van de middeleeuwse sociale situatie. Reeds van bij het begin van de begijnenbeweging waren de vrouwen actief als ziekenzusters. De stedelijke centra waarin deze eerste begijnen leefden en werkten kenden op dat moment een gestaag aangroeiende bevolking, vooral afkomstig van migratie vanuit het omringende platteland. De migratie bracht een groter wordende kloof tussen rijk en arm met zich mee met daaraan gekoppeld een groeiende groep hulpbehoevende mensen die niet meer konden terugvallen op de bestaande rurale hulpnetwerken. Als gevolg van deze evolutie ontstonden er in de steden hospitalen en godshuizen, ingericht door de kerkelijke of wereldlijke overheid. Begijnen wijdden zich in deze hospitalen, vrijwillig of tegen betaling, aan het verzorgen van zieken en hulpbehoevenden. Ook het opvangen van behoeftigen behoorde overigens tot de taken van de instellingen. Ook binnen de begijnhofmuren werden noodlijdende mensen opgevangen. De infirmerie bood bijvoorbeeld opvang aan oudere of zieke vrouwen die betaalden voor logies en verzorging, wat de begijnhofkas spijsde. Simons stipt in zijn studie overigens aan dat het zeer goed denkbaar is dat sommige begijnen een heuse medische opleiding kregen, hoewel hier weinig documenten over te vinden zijn.

Volgens Simons werd de hulp van begijnen ook zeer gewaardeerd bij het begeleiden van stervenden en het afleggen en verzorgen van de lijken. Begijnen laveerden zelf immers, in de ogen van hun tijdgenoten tussen een actief werelds leven en een teruggetrokken bestaan binnen de hofmuren, symbolisch voor respectievelijk leven en dood. Tijdens hun werk als ziekenverzorgsters kwamen ze overigens veelvuldig in contact met stervende mensen. Begijnen werden dan ook veelvuldig aangesproken voor het houden van dodenwaken, het organiseren van speciale misvieringen ter nagedachtenis van de overledene en voor het balsemen en verzorgen van het overleden lichaam.

Onderwijs en cultuur

Begijnen hebben zich naast hun liefdadige activiteiten ook steeds bezig gehouden met onderwijs. De meisjes konden op het hof bij hun lerares blijven logeren, jongetjes moesten ’s avonds elders gaan slapen. Dit thuisonderricht evolueerde langzaam naar het inrichten van echte aparte schoolgebouwen binnen de begijnhofmuren, waar de leerlingen in groep les kregen. Het begijnhof van Herentals bouwde bijvoorbeeld een apart schoolgebouw in 1462.

Welke ‘vakken’ er door de begijnen onderwezen werden, kon sterk variëren. Zo leerden de leerlingen lezen of schrijven maar kregen ze in bepaalde gevallen ook les in muziek, handwerk, vreemde talen (Frans of Latijn), en werd er tijd ingeruimd voor Bijbelstudie of theologie. De algemene vorming was heel belangrijk. Meisjes leerden als het ware door het persoonlijk contact met de begijnen, door het navolgen van hun voorbeeld. Begijnen oefenden dan ook een voorbeeldfunctie uit ten aanzien van de leerlingen die na verloop van tijd een echte vertrouwensrelatie met hun leraressen opbouwden en die hen als een tweede familie gingen aanzien. Vele meisjes bleven op het hof en werden uiteindelijk ook zelf begijn.

De meest bekende kunstuiting van begijnen zijn de ‘besloten hofjes’, kleine kastjes, eventueel met zijluiken, met daarin een voorstelling van een mystieke tuin, een heilige of de maagd Maria. Bij het vervaardigen van de hofjes werden zeer verschillende materialen zoals textiel, takken, bloemen, goud-en zilverdraad, glas en hout gebruikt. De werkjes zijn zeer symbolisch geladen en zijn een uitdrukking van de begijnenspiritualiteit.

Hoewel begijnenliteratuur vaak als tweederangs werd afgeschilderd, blijken toch heel wat begijnen literair actief geweest te zijn. Vrouwen als Maria van Lille en Clarissia Lenaerts stelden bijvoorbeeld hun eigen mystieke ervaringen te boek. De productie van literaire werken spitste zich verder vooral toe op gebedenboeken, lofzangen met decoratieve elementen, liedboeken en toneelstukken. In de liedboeken werden zowel verheven liedjes ter ere van Maria als meer volkse liederen opgenomen. Begijnenliteratuur wordt dikwijls als ‘braaf ’ of ‘overdreven devoot’ afgeschilderd en niet erg hoog aangeslagen. Monica Triest stipt overigens aan dat schrijvende vrouwen vroeger wel meer problemen hadden. Zij werden bijvoorbeeld zeer sterk gecensureerd en moesten vaak anoniem blijven. Het is nog maar de vraag in hoeverre deze situatie heeft bijgedragen tot de appreciatie van de begijnenliteratuur.

Tijdens de misvieringen of gewoon ter ontspanning luisterden de begijnen de sfeer op met muziek. Zingen behoorde tot de dagelijkse bezigheden, de liederen werden onder meer gezongen tijdens het werk. Ook hier was er een grote eenvoud in bijvoorbeeld een simpele, niet-overdadige polyfonie. Uitbundige muziekinstrumenten werden geweerd.

Handenarbeid

Tot de 14e-15e eeuw bloeide de lakennijverheid in de Lage Landen. Voor de begijnen vormde deze nijverheidstak een grote bron van inkomsten. De vrouwen waren betrokken bij alle productiefasen: van het kaarden en spinnen van de wol tot het bleken van het linnen. De grote grasvelden van de begijnhoven konden overigens zeer goed gebruikt worden als bleekweide. Begijnen wisten zich ook in te werken in een traditioneel zeer mannelijke arbeidstak: het weven van wollen kleding. Later komt daar het vervaardigen van linnen kleding bij. De begijnen van Herentals stonden bijvoorbeeld in 1483 in voor 37.6 procent van de totale stedelijke linnenproductie. Voor de stedelijke gilden vormden de begijnen overigens grote concurrenten. Begijnen konden immers zelf onderhandelen over prijzen met de stedelingen. Voor wat betreft de kwaliteit van het werk waren ze wel afhankelijk van de voorschriften van de gilden. Als gevolg van de crisis in de wol-en lakennijverheid zagen de begijnen zich genoodzaakt om zich om te scholen tot het herstellen en schoonmaken van kleding. Verder legden de vrouwen zich toe op het kantklossen, een luxeartikel. De boerderijen in de nabijheid van begijnhoven konden in sommige gevallen eveneens rekenen op ‘vrouwkracht’ bij het hoeden van de dieren of het werken op het land. Tenslotte was er ook binnen de begijnhofmuren heel wat werk te doen. Een begijnhof is een kleine zelfbedruipende economische entiteit, zodat de begijnen zelf brood bakten, bier brouwden of groenten kweekten.

Evolutie tot de 16e eeuw

Begijnengemeenschappen: niet vrij van kritiek

Vanaf het prille begin konden de begijnen niet alleen rekenen op een grote aantrekkingskracht maar ook op heel wat kritiek. Reeds in de 12e –13e eeuw doken er verhalen op over wangedrag van de begijnen en komt er kritiek op de levensstijl. De vrijblijvendheid van de geloften, die anders dan bij kloosterzusters niet permanent zijn, wekte heel wat wantrouwen op. Het feit dat de begijnen over een relatief grote bewegingsvrijheid konden beschikken, wekte eveneens heel wat argwaan op. Vooral de geruchten over losbandigheid en een vrije opvatting van de seksuele zeden, tierden welig. Dit komt onder meer tot uitdrukking in een aantal Middelnederlandse kluchten zoals Van eenre baghinen ene goede boerde’ en ‘Dits vanden Tanden’32 . Vrouwen konden inderdaad het begijnhof uit en er zijn gevallen bekend van zwangerschappen bij begijnen33 . De middeleeuwse stedeling stelde zich verder vragen bij de combinatie actief-contemplatief leven. Kon een degelijk apostolaat samengaan met een actief leven? De vooroordelen tegen alle begijnen waren vooral afkomstig van het wantrouwen dat men koesterde tegenover de onstandvastige begijnen die niet in een gestructureerd verband leefden en al bedelend rondtrokken. In de Lage Landen werden deze begijnen al gauw overvleugeld door de georganiseerde begijnengemeenschappen maar toch bleven de vooroordelen hardnekkig voortleven.

Niet enkel de gewone middeleeuwer, ook geleerde theologen stelden zich vragen bij het begijnenleven. Vooral de vraag of vrouwen in het openbaar het publiek mochten toespreken over geloofskwesties en aan apostolaat doen, riep vele vraagtekens op. Tussen 1260 en 1274 antwoordden drie magisters, Thomas Aquinas, Henry van Gent en Eustachius van Arras dat het vrouwen traditioneel altijd verboden was geweest om zich in het openbaar uit te spreken over religieuze kwesties, dat zij niet over de nodige wijsheid en opleiding beschikten om dit te doen, dat ze minderwaardig waren aan de man en dat ze de mannen bij het luisteren naar een verheven boodschap, toch vooral zouden afleiden.

margareteporeteDe veroordeling en terechtstelling van Margaretha Porrete in 1310 illustreert, hoewel zeer drastisch, de houding van de Kerk tegenover de begijnen. Zij werd op verdenking van ketterij op de brandstapel gezet. Het concilie van Wenen (1311-1312) vaardigde het decreet Cum de quibusdam mulieribus uit met daarin een veroordeling van het ontbreken van permanente geloften bij de begijnen en het niet afstaan van persoonlijk bezit. Ook de prediking van de begijnen stuitte op kerkelijk verzet. De kerk verzette zich vooral tegen de ongeorganiseerde begijnen. Zo ook de bul Ratio recta van paus Johannes XXII (1318). Hoewel de rechtgelovige begijnen niet direct geviseerd werden, leden ook zij onder de controles die de daaropvolgende jaren gehouden zouden worden. De dreiging te worden beschuldigd van ketterse ideeën hing voortdurend boven het hoofd van de begijnengemeenschappen. In Vlaanderen konden de begijnengemeenschappen een beroep doen op de graaf, die zoals eerder gezien, zelf een aantal begijnhoven gesticht had. In de Lage Landen kwamen de onderzoeken overigens zeer traag op gang en werden vaak pas in de loop van de jaren ’20 van de veertiende eeuw uitgevoerd. Niettegenstaande de grafelijke steun vormde deze periode voor de begijnen een zware episode uit hun geschiedenis. Het gevolg van de kerkelijke controles was dat begijnen zich beter gingen organiseren. De ‘boom’ van begijnhoven was het resultaat. Binnen de beschermende muren van het hof stonden de begijnen onder het gezag van een grootmeesteres, werden ze bijgestaan door een begijnhofpastoor en kregen ze strikte regels opgelegd over hun handel en wandel. Door zich beter te organiseren konden de begijnengemeenschappen zich consolideren.

Materiële moeilijkheden

Begijnen hadden niet enkel vanuit kerkelijke hoek af te rekenen met moeilijkheden. De algemene economische situatie verslechterde erg in de loop van de veertiende en de vijftiende eeuw als gevolg van de achteruitgang van de lakennijverheid. Gezien het feit dat deze nijverheidstak een grote inkomstenbron betekende voor de begijnhoven, deelden ook zij in de klappen. Epidemieën als de pest decimeerden in het midden van de 14e eeuw grote delen van de stedelijke bevolking.

Verdere evolutie vanaf de 16e eeuw

16e eeuw-17e eeuw

De zestiende eeuw, veelbelovend begonnen met de bloei van de boekdrukkunst, het humanisme en de internationale handel, zou voor de begijnen een moeilijke periode worden. De reformatie en de daaropvolgende contrareformatie legden in de Zuidelijke Nederlanden de vrije meningsuiting aan banden. Het concilie van Trente (1545-1551) probeerde de crisis in de Kerk af te wenden en beklemtoonde het belang van de sacramenten. Voor de begijnengemeenschap vormde dit een opsteker, gehecht als zij waren aan de sacramenten. De zestiende eeuw was ook de eeuw van de godsdienstoorlogen, in het zog van de reformatie, en de opstand in de Nederlanden. De begijnhoven kregen het daarin zwaar te verduren: soldaten werden in de hoven ingekwartierd, andere werden geplunderd of platgebrand. De oorlog bracht een verwildering van de zeden met zich mee, ook in de begijnhoven. Begijnen gingen zich te buiten aan feesten en zochten steeds meer vertier in mannelijk gezelschap. Een strengere discipline drong zich op. Johannes Hauchinus, in 1582 tot aartsbisschop van Mechelen benoemd, legde zich toe op het herstel van de orde in de begijnhoven. De nadruk kwam onder meer te liggen op persoonlijk gebed en het deelnemen aan misvieringen op vastgelegde tijdstippen zoals (mariale) feestdagen. De bisschop ging bovendien meer controle uitoefenen op de begijnengemeenschappen. De maatregelen hadden een gunstig effect op de begijnen, hetgeen versterkt werd door de sluiting van het Twaalfjarig Bestand in 1609. De verdere 17e eeuw werd gekenmerkt door een bloei van de gemeenschappen met een zeer hoog aantal intreden36 en een uitbreiding van de begijnhofinfrastructuur

18e eeuw-19e eeuw

Onder de Oostenrijkse vorsten Maria-Theresia en Jozef II gaat het stilaan bergaf met de begijnengemeenschappen. De intreden daalden waardoor de begijnhoven over minder inkomsten konden beschikken. De rekeningen raakten niet of nauwelijks betaald en de gebouwen opgetrokken tijdens de bloeiperiode in de 17e eeuw raakten in onbruik. Samen met de Verlichting was ook de grotere welvaart mee oorzaak van dit proces. Vrouwen kozen niet langer voor een eenvoudig bestaan achter hoge begijnhofmuren.

In 1794 werden de Oostenrijkse troepen verslagen door het Franse revolutionaire leger. Deze overwinning gaf het startsein voor een grote crisis in het begijnenwezen. In 1795 werden in de bezette gebieden de kloosters afgeschaft en hun goederen verbeurd verklaard. Een jaar later kwam de armen-en ziekenzorg volledig onder overheidstoezicht en werden ze onttrokken aan het kerkelijk initiatief. De begijnen konden op sommige plaatsen de situatie min of meer redden door aan te voeren dat zij geen religieuzen waren maar behoeftigen, onderhouden door de infirmerie en de Heilige Geesttafel. In de meeste gevallen werden de infirmerieën echter overgenomen door de wereldlijke overheid. De begijnhofkerken werden sowieso gesloten en er kwamen geen nieuwe novicen meer bij.

Het Hollands bewind bracht na 1815 weinig verandering in de zaak. De aangeslagen goederen werden niet gerestitueerd al mochten de begijnen opnieuw hun habijt dragen.

Na 1830

Na de burgerlijke revolutie van 1830 en de oprichting van het koninkrijk België slaagden de begijnen er niet in hun bezittingen terug te vorderen waardoor ze veelal eigendom bleven van de gemeentelijke overheden. De toenemende spanningen tussen liberalen en katholieken hadden bovendien bijzonder onaangename gevolgen voor een aantal begijnhoven. Liberale stadsbesturen stelden zich steeds anti-klerikaler op en wilden de invloed van de kerk op het openbare leven wegwerken. Vooral de liefdadigheid en het onderwijs werden geviseerd. Zo besloot het stadsbestuur van Gent het Oud en het Klein Begijnhof in te richten als centra voor stedelijke armenzorg. Andere begijnhoven moesten geheel of gedeeltelijk verdwijnen voor de aanleg van nieuwe stadswijken of nieuwe invalswegen.

In de nieuwe grondwet van 1830 zat ook het principe van de vrijheid van vereniging bevat. Hierdoor was de kerk vrij om een eigen net van verenigingen op te richten zodat ze allerlei educatieve en caritatieve activiteiten kon ontwikkelen. Als gevolg van de toenemende antiklerikale opstelling van de regering werd dat net nog uitgebreid. Een algemene katholieke heropleving tekende zich af. Dit renouveau werd onder meer gekenmerkt door een grote heimwee naar de christelijke middeleeuwen met bijvoorbeeld de ontwikkeling van een eigen stijl vol symboliek, de neogotiek. Met ware missioneringijver probeerde de kerk het volk te ‘beschermen’ tegen anti-katholieke invloeden. Ook de begijnen deelden in deze oplevende devotie die versterkt werd door de Mariaverschijningen in Lourdes (1858) en de afkondiging van het dogma van de Onbevlekte Ontvangenis (1854) door paus Pius IX.

lourdes

De begijnengemeenschappen kenden sinds lang weer een gestaag stijgend aantal intreden, hoewel deze evolutie niet lang zou aanhouden. De toenemende secularisering zorgde voor een verdere leegloop van de begijnhoven. In 1900 telden de Vlaamse begijnhoven circa 1500 begijnen, een aantal dat zestig jaar later meer dan gehalveerd was (+/- 600). In 2000 werden nog vijf resterende begijnen geteld.

Literatuur

Boeken

  • BLOM, J.C.H. en LAMBERTS, E. Geschiedenis van de Nederlanden. Rijswijk, 1993.
  • HOORNAERT, R. Les Béguines de Bruges. Leur histoire, leur règle, leur vie. Brugge, 1924.
  • SIMONS, W. Cities of ladies. Beguine communities in the Medieval Low Countries, 1200-1565. Philadelphia, 2001.
  • TRIEST, M. Het besloten hof. Begijnen in de Zuidelijke Nederlanden. Leuven, 1998.
  • VAN AERSCHOT, S. en HEIRMAN, M. Vlaamse begijnhoven werelderfgoed. Leuven, 2001.

Artikels

  • ALBERS, C. ‘Pogen om’t hoge. Een Canadese mediëviste over Brugse begijnen, mystiek en feminisme.’ De Standaard Magazine, jg.3 nr. 23, 9 juni 1995.
  • BULTE, A. ‘De laatste begijntjes van Vlaanderen.’ De Morgen, 12 december 1998.
  • LAMPO, J. ‘Bi wilen licht, bi wilen swaer. Vrouwelijk mystiek en kloosterleven in het Ancien Regime.’ De Standaard, 24 februari 1994.