marijn de vries1De Nederlandse Marijn de Vries is journaliste en voormalig profwielrenster. Van 2010 tot en met 2012 reed ze voor de opleidingsploeg Leontien.nl van Leontien van Moorsel, in 2013 bij de Belgische ploeg Lotto Belisol en in 2014 bij Giant-Shimano. Ze sloot haar profcarrière af in 2015 af bij de ploeg Parkhotel Valkenburg. Daarnaast was ze tot december 2010 redacteur bij het sportprogramma Holland Sport. Ze heeft een sportcolumn in het dagblad Trouw (waar ze éminence grise Mart Smeets opvolgde) en is wieleranalist voor de NOS, onder andere in het televisieprogramma ‘Avondetappe’, de Nederlandse tegenhanger van ‘Vive Le Vélo’. Samen met Nynke de Jong schreef ze het boek Vrouw & Fiets, handboek voor de fietsende vrouw. Sinds een aantal jaar organiseert Marijn fietsreizen voor vrouwen. 

Bron foto: ©André Karwath

In je Twitterbio staat dat je wielrenster werd op je dertigste. Het lijkt een sterk verhaal, maar het blijkt waar te zijn. Hoe kwam je erbij om op die late leeftijd aan een profcarrière te beginnen?

Marijn de Vries: “Zoals veel vrouwen kocht ik zo’n tien jaar geleden m’n eerste racefiets, omdat mijn vriend een racefiets had en het wel leuk leek om samen te gaan fietsen. Toen we op reis gingen belandden we aan de voet van een berg. “Doe maar rustig, ik wacht boven wel op je”, zei m’n vriend.  Dat liep dus even anders. Ik heb uiteindelijk een kwartier op hem staan wachten boven aan de top. Hij snapte er niets van. En ik ook niet. Ik bleek dus talent te hebben. Ik werkte op dat ogenblik als sportredacteur voor Holland Sport, en was dus vaak professioneel met wielrennen bezig. Het leek me een interessant journalistiek experiment om uit te vissen of je op je dertigste nog topsporter kan worden. Ik bezocht een sportarts en ging met Leontien Van Moorsel en Marianne Vos praten. Van Moorsel stelde voor dat ik een keer meeging op trainingskamp. Dat viel wonderwel mee.

Niet iedereen was razend enthousiast over mijn gekke plan. De meeste mensen vinden toch dat je op je dertigste gewoon normaal moet doen: huisje, boompje, beestje. En daar kwam ik, een journalist van dertig jaar met een racefiets. Maar ik deed het prima. Ik heb het racen nog een jaar gecombineerd met m’n job als journalist, maar dat bleek niet zo’n geweldige combi. Dus heb ik m’n baan opgezegd. Eerst heb ik een jaar bij een vereniging in de buurt gekoerst, en toen bood Leontien me een plek in haar opleidingsteam aan. Uiteindelijk heb ik zes jaar op hoog niveau gekoerst. Er bestaat een soort wetmatigheid dat je éérst minstens 10.000 uren getraind moet hebben voor je überhaupt klaar zou zijn om op het hoogste niveau mee te doen. Dat telde voor mij dus niet toen ik begon. Hoeveel uren ik getraind heb weet ik niet, maar het zijn er uiteindelijk zeker veel meer dan 10.000 geweest.

Natuurlijk kreeg ik veel commentaar. Als ik zomaar meekon met het profpeloton, dan stelde dat vrouwenwielrennen vast niet veel voor. Nu klopt het wel dat de kloof tussen de top en de basis in het vrouwenwielrennen toen veel groter was. De toppers waren echt heel goed, maar ze waren met weinig. Intussen is het vrouwenpeloton veel breder geworden. Vandaag zou ik misschien niet meer meekunnen op m’n dertigste. Anderzijds: fietsen is een duursport, en vrouwen pieken later in duursporten dan mannen. Op zich was het dus niet zo gek dat ik zo laat nog de overstap kon maken. Als man was dat me wellicht niet gelukt. Ik kon m’n gebrek aan techniek compenseren met m’n kracht. Positioneren is superbelangrijk in de koers, maar dat kan je leren."

 

Nederland staat eenzaam aan de wereldtop wat het vrouwenwielrennen betreft. Jullie hebben de kampioenen voor het grijpen, zo lijkt het.

Marijn de Vries: “Het klopt dat we veel wielrensters hebben, en veel goede. Ze hebben het dan ook niet zo moeilijk tegen buitenlandse rensters. Fietsen is echt ingebakken in Nederland. Elk kind, dus ook elk meisje, leert heel jong fietsen.  Bovendien is onze fietsinfrastructuur beter, waardoor kinderen makkelijker en veiliger de fiets op mogen en kunnen. De jeugdopleidingen zijn ook echt heel goed. En natuurlijk speelt het mee dat Nederland een geschiedenis kan voorleggen van legendarische wielrensters, van Keetie van Oosten-Hage over Leontien Van Moorsel tot Marianne Vos.

In België behoort wielrennen dan weer meer tot de traditie, tot het erfgoed. De wielersport is er dan ook een stuk traditioneler en conservatiever. Die tradities zijn cultureel wel leuk en interessant, maar ze vertragen de ontwikkeling van het vrouwenwielrennen. In landen waar die traditie minder sterk leeft, heeft men sneller begrepen dat het vrouwenwielrennen ook gewoon een boeiende sport is. Het is minder beladen, en men kan er vrijer en onbevangener mee omgaan.”

 

Er is de jongste jaren wel erg veel vooruitgang geboekt in de sport, niet?

Marijn de Vries: “Oh ja. Toen ik begon was het vrouwenwielrennen zogenaamd een sport voor vrouwen met dikke konten. Er was nauwelijks aandacht voor. De samenvatting van het NK wielrennen voor vrouwen bedroeg anderhalve minuut. Ik moet bekennen dat ik zelf ook een beetje dat beeld in m’n hoofd had toen ik startte. Maar eens in het peloton zag ik wat voor topatleten daar rondreden en hoe hard er werd getraind en gewerkt. Dat verwonderde én ergerde me. Hoe kon het dat er zo laatdunkend werd gedaan over deze sport? Ik heb nadien mijn schrijfwerk echt gebruikt om dat vertekende beeld over het vrouwenwielrennen bij te stellen.

Een van de dingen die van het wielrennen zo’n fascinerende sport maken zijn de verhalen. Waarom krijgen we die niet te zien of te horen van het vrouwenwielrennen? De discussies over de wedstrijden irriteren me ook. Sommige mensen vinden dat vrouwen niet over hetzelfde parcours, niet dezelfde wedstrijden moeten rijden als de mannen. Maar met een onbekend en onbemind peloton over onbekend parcours rijden inspireert niet. Een wedstrijd rijden met een geschiedenis zoals de Ronde van Vlaanderen of de Amstel Gold Race, tussen een zee van mensen, dat is een fantastische ervaring. Het zijn echt die momenten waarop je je echt coureur voelt. We krijgen ook eindelijk vrouwenkoers te zien op tv, maar het blijft beperkt. Er zijn nochtans innovatieve middelen genoeg om wedstrijden gelijktijdig te tonen, zoals de ‘split screen’ bijvoorbeeld. Het gaat vaak echt meer over niet willen dan niet kunnen. Ik zie op de Vlaamse televisie wel inspanningen. Karl Van Nieuwkerke doet echt moeite om aandacht te genereren voor het vrouwenwielrennen. En er is meer uitzendtijd dan in Nederland. In Nederland slagen ze erin maar 20 minuten uit te zenden van de Amstel Gold Race voor vrouwen en die dan nog te laten becommentariëren door 2 mannen. Jullie hebben dan Lieselot Decroix in het commentaarhok zitten, die dat uitstekend doet.

Ik zie vandaag best veel jonge mannelijke sportjournalisten die over vrouwenwielrennen schrijven. Vaak zijn ze oprecht verbaasd als ze merken hoe hoog het niveau is, en hoe groot de kloof in omkadering is tussen vrouwen en mannen. Het zijn dingen die ik al jaren schreef, maar pas nu zij het aankaarten wordt het ernstig genomen. Dat is irritant, maar ik denk dan maar dat het tenminste oplevert. Je moet soms blij zijn met kruimels. Ik richt me op het positieve, anders word je toch maar een zeikwijf of een gefrustreerde boze vrouw genoemd.

Onlangs was er dan weer de heisa rond het grensoverschrijdende gedrag van een ploegleider. (Drie ex-rensters van Health Mate Ladies getuigden over seksueel grensoverschrijdend gedrag door hun ploegleider Patrick Van Gansen) In Nederland zijn we daar intussen wel mee bezig, onder meer vanuit de Cycling Alliance vakbond van Iris Slappendel. Het is natuurlijk ook zo dat de wielerbonden echte mannenbastions zijn. Er zetelen geen of amper vrouwen in. Zij hebben nergens last van natuurlijk.”

 

Intussen begeleid je fietsreizen voor vrouwen.  Waarom wilde je dat doen?

Marijn de Vries: “Tijdens mijn profcarrière ging ik de winter trainen in het Spaanse Girona. Een prachtige streek om te fietsen. Lekker weer, mooie wegen. Toen ik stopte wilde ik niet meer een hele winter in grauw Nederland doorbrengen. Fietsreizen organiseren was een perfecte manier om die behoefte te combineren met het beantwoorden aan een nood: voor vrouwen bestond er eigenlijk niets. Er waren wel clubs die ook fietsreizen organiseerden, maar de sfeer was behoorlijk competitief. Met vrouwen fietsen is gewoon een andere beleving, relaxter, wat solidairder ook. Intussen hebben we ons aanbod wel aangevuld met gemengde fietsreizen. De focus is niet competitief. Iedere deelnemer heeft haar (of zijn) eigen sportieve uitdaging. De omgeving en het plezier zijn minstens zo belangrijk als het fietsen zelf. Presteren staat niet centraal. Zo ben ik zelf begonnen, en die kennis en ervaring wilde ik graag delen. Ik herinner me best hoe het was om niets te kunnen op de fiets. Toen ik koerste voelde ik me eigenlijk heel egoïstisch. Als wielrenner ben je enkel met jezelf bezig. Ik vind het fijn dat ik nu iets terug kan geven.

Sporten gaat niet alleen over competitie. Sport is ook emanciperend.  Dat merk ik ook tijdens onze fietsreizen. Mensen verleggen hun grenzen; ze doen iets waarvan ze dachten dat ze het niet konden. Dat geeft zoveel kracht en zelfvertrouwen. Daarom doe ik het.”