Pas in 1948 kregen Belgische vrouwen volledig stemrecht, vrij laat in vergelijking met andere Europese landen. Stemrecht voor vrouwen stond al sinds het einde van de negentiende eeuw op de agenda van activisten in diverse Europese landen, maar toch was het voor de Eerste Golf Feministen geen topprioriteit. De feministen van toen wilden eerst komaf maken met juridische en economische gelijkheid.

Zeventig jaar later vinden we het evident dat vrouwen hun democratische recht om te stemmen kunnen uitvoeren. Toch zijn er anno 2018 nog landen waar vrouwen geen of nauwelijks stemrecht hebben of dat stemrecht amper kunnen uitoefenen.

Geschiedenis van (de strijd voor) het vrouwenstemrecht in België

Vrouwenstemrecht is wenselijk

stemrechtkavIn 1892 ontstond La Ligue Belge du Droit des Femmes, de eerste feministische organisatie in België. Andere organisaties volgden. Vrijwel allemaal wilden ze eerst werk maken van de economische emancipatie van de vrouw. Vrouwenstemrecht werd als wenselijk, maar ‘voorbarig’ bestempeld. Daarmee verschilden ze sterk van de vrouwenbewegingen in andere landen met name de suffragettes in Groot-Brittannië, die de strijd voor vrouwen(stem)recht als hoogste prioriteit zagen.

Bij het ontstaan van België gold het cijnskiesstelsel, dat stemrecht koppelt aan het belastingsniveau. Stemrecht was er uitsluitend voor mannen ouder dan 25 jaar. In 1893 werd dit herzien: Het cijnskiesrecht werd vervangen door het algemeen meervoudig stemrecht, alleen voor mannen. Een gemiste kans voor vrouwen. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1895 ondernam de Ligue daarop een eerste actie voor vrouwenstemrecht, ondanks dat de focus van hun werking voornamelijk op de economische emancipatie van de vrouw lag. Zonder succes voerde de Ligue bij hun actie van 1895 aan dat gemeenten samengesteld zijn uit gezinnen, waarin de vrouw de centrale rol vervult.

 

Voor- en tegenstand in de vrouwenbeweging

In de jaren voor de Eerste Wereldoorlog raakte de eis tot vrouwenstemrecht ingekapseld in de electorale strategie van de traditionele politieke partijen. Het succes van de Belgische Werkliedenpartij (BWP, de voorloper van de socialistische partij) en de invoering van de evenredige vertegenwoordiging ter vervanging van het meerderheidsstelsel in 1899, schudde de politieke kaarten grondig door elkaar. De BWP was de eerste politieke partij die gelijkheid voorttrok en dit zelfs in zijn partijprogramma vastlegt. Dit had ook gevolgen voor het vrouwenstemrecht. Om haar electorale positie te behouden begon de Katholieke Partij het vrouwenstemrecht te verdedigen. De partij rekende op de invloed van de kerk op het vrouwelijke stemgedrag. Uit vrees voor datzelfde conservatieve stemgedrag lieten de socialisten op hun beurt hun steun voor het vrouwenstemrecht vallen, ook zij die principieel voor het idee gewonnen waren.

De Belgische feministen botsen in die periode op dezelfde argumenten die in andere landen als Groot-Brittannië en de Verenigde Staten worden gehanteerd. Anti-suffragettebewegingen verspreidden affiches die het volk angst moesten inboezemen, met afbeeldingen van kijvende en bazige vrouwen die hun man de les spellen, kinderen die verongelukken omdat hun moeder geen huisvrouw meer is en oververmoeide vaders die luiers moeten verversen. Deze spotprenten en cartoons hadden één overkoepelende boodschap: stemrecht voor vrouwen zal zedenverwildering, verdoemenis en degeneratie teweegbrengen. Of zoals Victoire Cappe – oprichtster van de christelijke vakbond van vrouwelijke arbeiders het formuleerde: “Vrouwen zijn noch mentaal, noch intellectueel, noch sociaal klaar om te participeren in de politiek.”

Tegenstanders van het vrouwenstemrecht stelden letterlijk dat vrouwen door hun emotionele en zwakke aard niet in staat zijn een rationaal en objectief oordeel te vellen over belangrijke politieke kwesties. Vrouwen werden algemeen beschouwd als intellectueel inferieur aan mannen, waren de facto handelingsonbekwaam en dus ondergeschikt aan mannen. Bovendien hoefden vrouwen helemaal niet te stemmen, omdat de mannen hen als gezinshoofd vertegenwoordigden.

Voorstanders vonden stemrecht voor gehuwde vrouwen en moeders belangrijk omdat de overheid zich steeds meer met gezinsaangelegenheden bemoeide. Prille Belgische vrouwenorganisaties spraken zich eind negentiende eeuw uit voor het vrouwenstemrecht. Ze schreven pamfletten en hielden bijeenkomsten, maar werden nooit zo strijdbaar en radicaal als de Engelse suffragettes.

spotprent vrouwenstemrecht

Als gevolg van de meningsverschillen ontstonden binnen de zuilen verschillende vrouwenorganisaties in België, elk met hun eigen accenten. De meeste organisaties focusten zich voornamelijk op onderwijs en educatie. Het was op dat moment immers niet evident voor vrouwen om te studeren aan de universiteit. Ondanks de verzuiling en de focus op andere thema’s, zoals onderwijs, ontwikkelde zich in 1913 alsnog een gemeenschappelijk feministisch front voor het vrouwenstemrecht. De activiteiten van de Fédération belge pour le Suffrage des Femmes werden echter algauw door de Eerste Wereldoorlog gedwarsboomd. Feministische eisen verdwenen in de oorlogsjaren naar de achtergrond.

 

Algemeen enkelvoudig stemrecht

Na WOI flakkerde de discussie over het vrouwenstemrecht weer op. Tijdens het interbellum werd de deur voor het vrouwenstemrecht schoorvoetend op een kier gezet. Katholieke partijen en organisaties vonden vrouwenstemrecht echter nog steeds geen prioriteit. Ze ijverden vooral voor een betere behandeling van vrouwen en een verbetering van hun welstand. Ze vonden het vooral belangrijk dat vrouwen kunnen studeren en een eigen leven opbouwen.

Bij de invoering van het algemeen enkelvoudig stemrecht in 1919 kregen vrouwen weinig erkenning voor hun oorlogsinspanningen. Met uitzondering van vrouwen die omwille van verzetsdaden gevangen zaten, niet-hertrouwde weduwen of moeders van gesneuvelde soldaten, mochten vrouwen nog altijd niet gaan stemmen. Begin jaren '20 werd het door mannen gedomineerde politieke bedrijf een eerste keer doorbroken. In 1920 verworven de vrouwen stemrecht voor de gemeenteraadsverkiezingen. Een jaar later mochten ze zich ook kandidaat stellen voor de gemeenteraad (februari 1921), de provincieraad en het parlement en een ambt als schepen of burgemeester opnemen (augustus 1921). Maar terwijl elders in de wereld het vrouwenstemrecht eindelijk een feit wordt, raakt de eis in België tijdelijk in de vergetelheid.

vrouwenstemrecht socialistische campagne

Feministische organisaties startten campagnes om vrouwen een politiek bewustzijn bij te brengen, terwijl de politieke partijen hun propaganda afstemden op het nieuwe vrouwelijke electoraat. Ze benadrukten vooral de rol van vrouwen als huisvrouw, echtgenote en moeder. Vrouwen veroorzaakten met hun eerste stappen in de politiek geen grote verschuivingen: ze volgden veelal het stemgedrag van hun man én, belangrijker, stemmen niet op vrouwen.

 

Volledig vrouwenstemrecht

Na de Tweede Wereldoorlog werd de legitimiteit van het vrouwenstemrecht steeds minder in twijfel getrokken. De oude discussies en de onstabiele politieke toestand zorgden nog voor enige vertraging, maar uiteindelijk verworven de Belgische vrouwen bij wet van 27 maart 1948 stemrecht voor de parlementsverkiezingen en vier maanden later ook voor de provincieraadsverkiezingen. Vrouwen brachten voor het eerst effectief hun stem uit bij de parlementsverkiezingen van juni 1949. De christen-democraten hoopten op een conservatief vrouwelijk kiesgedrag en de liberalen en socialisten vreesden daar net voor.

Huidige situatie

Jammer genoeg is België één van de laatste landen in Europa waar het vrouwenstemrecht zijn intrede deed. België liet in 1948 enkel Griekenland nog achter zich. Anno 2018 is er echter nog altijd veel werk aan de winkel, want het vrouwenstemrecht is maar één stap in de goede richting. Vrouwen worden nog altijd niet in gelijke mate verkozen als mannen en er is nog altijd een schrijnend tekort aan vrouwen in het parlement en in vele partijen. In 1995 werd 12% vrouwen verkozen, een stijging die vooral te verklaren is door quota, want in 1994 moest minstens één derde van de kandidaten voor de verkiezingen dat jaar een vrouw zijn. Dat betekent echter niet automatisch dat vrouwen daardoor verkozen worden en dus bleven ze midden jaren negentig ondervertegenwoordigd in de politiek. In 2008 telde de Kamer 35% vrouwen en de Senaat 42%. In 2014 kenden deze cijfers een povere stijging. De federale regering bestaat momenteel voor een derde uit vrouwen, van volledige gelijkheid is dus nog altijd geen sprake – alle quota ten spijt.

Internationaal

Van alle geïndustrialiseerde landen telt Japan vandaag het minst aantal vrouwen in het parlement met een bezetting van amper 9%. Het Oost-Afrikaanse Rwanda trekt de lijst met maar liefst 64% procent vrouwelijke parlementairen.

Nieuw-Zeeland was het eerste land dat vrouwen stemrecht verleende in 1893, gevolgd door Finland in 1906 en Noorwegen in 1913. In Saudi-Arabië kregen vrouwen pas in het voorbije decennium (gedeeltelijk) stemrecht.

Meer lezen

Op RoSa-website

Het Geheugen: Stem vrouw!
Kwesties: politieke participatie

Aanraders uit de RoSa-bibiotheek

Tien vrouwen in de politiek : de gemeenteraadsverkiezingen van 1921Stap voor stap : geschiedenis van de vrouwenemancipatie in Belgie. Denise Keymolen, Marie-Thérèse Coenen

  • Tien vrouwen in de politiek : de gemeenteraadsverkiezingen van 1921. Claudine Marissal, Catherine Jacques, Ilse Gesquièr, 1994 - RoSa ex.nr.: FII b/0257
  • Stap voor stap : geschiedenis van de vrouwenemancipatie in Belgie. Denise Keymolen, Marie-Thérèse Coenen, 1991 - RoSa ex.nr.: FII m/0222
  • Vrouw en politiek in België. Gubin en Van Molle, 1998 - RoSa ex.nr.: FII b/0410

illustraties:

Illustratie 'Vrouwen kiezen voor kiesrecht", geraadpleegd op Het Geheugen van Nederland: https://bit.ly/2GAJnbo.

affiche KAV: KAV-maandblad, 1949

spotprent: In het stemhokje. Karikatuur van Bizuth (H; Olyff) in L' Ane Roux, nr 90, p.8. (Koninklijke Bibiotheek Brussel) in Le Parlement au fil de l'histoire 1831-1981, Brussel, 1981, p. 44.
Uit: Stap voor stap, p. 52

stemt voor de socialisten: Uit Cherchez la femme, p. 26.